Praten met jezelf is helemaal oké. Maar hou het luchtig.
Iedereen doet het. Hardop in de auto, mompelend in de winkel, of gewoon in je hoofd de hele dag door. Praten met jezelf is helemaal oké.
Het is zelfs nuttig. Wat je uitspreekt, wordt hanteerbaarder dan wat blijft rondzweven. Je hoort jezelf iets zeggen en denkt: klopt dat eigenlijk wel?
Maar hou het luchtig.
Want daar zit het venijn. De toon waarop we tegen onszelf praten is vaak een toon die we tegen niemand anders zouden gebruiken. Streng, ongeduldig, met een zucht erbij. Tegen een vriend zou je dat nooit zeggen, en al zeker niet twintig keer per dag.
Je hoeft er geen project van te maken. Het helpt al om het één keer op te merken: zo praat ik dus tegen mezelf. Meer hoeft niet. De volgende keer hoor je het sneller.
Wat ook meespeelt: dat stemmetje herhaalt zichzelf. Het zegt al jaren ongeveer hetzelfde, in dezelfde bewoordingen. Als je het hoort, weet je meteen of het iets nieuws vertelt of gewoon zijn ronde doet.
En luchtig is niet hetzelfde als onverschillig. Het is de ruimte om ergens om te lachen dat vanbinnen groot leek. Meestal is dat precies wat de zaak weer op maat brengt.
Zou je zeggen wat je tegen jezelf zegt, ook tegen iemand die je graag hebt?
